Zwerven

Elke ochtend fiets ik langs het station, waar twee bordjes de oude ligplaatsen van de schepen MS Hope en MS Fortune commemoreren. Het is een kunstwerk eerder dan een historische gedenkplaats, bedoeld om pendelaars te doen nadenken over de schepen die ooit uit dit kleine wereldstadje vertrokken, met aan boord 16e eeuwse migranten, op zoek naar een nieuw leven in een nieuwe wereld. Los van de in het oog springende link naar de actualiteit met zijn veel minder romantiseerbare migraties, is het een perfecte symboliek voor dit, mijn opgeflakkerde expatstadje. We zoeven er in volle vaart voorbij, wij pendelaars die door de te vroeg gekomen herfstbuien naar het werk proberen te geraken. Alles is in transitie.

Ik heb een zomer vol omzwervingen beleefd.  Tussen Madeira en Napels, en de onverwacht warme Lage Landen, hebben mijn voeten zich al enkele maanden nergens meer stevig vast geplant. Het waren fijne omzwervingen hoor, dat wel. Maar het maakt me ook enorm blij terug in mijn eigen bed te slapen, omgeven door de mensen die ik gekozen heb om mijn leven kleur geven. Afhankelijk van je humeur en wereldperceptie kun je dit academische leven op twee manieren bekijken.  Je kunt het zien als fladderende vrijheid, de mogelijkheid een groter stuk van de wereld te zien. Of is het eerder de vrijheid van de zwerfhond, die gaan moet waar de nood hem draagt? Mijn eigen opinie over de zaak hangt sterk samen met het aantal uren slaap dat ik de voorbije nacht haalde, alsook hoe lang het geleden is dat ik mijn moederland bezocht.

Eén ding is zeker: academici zijn drijfhout. Nooit aan het zinken, maar ook nooit verankerd. Momenteel geniet ik met volle teugen van dat bruisende, dat onverwachte en onvoorspelbare, dat de eeuwige nieuwsgierigheid gaande houdt. Maar ooit zal het moeten stoppen, en zal ik met een serene kalmte die ik nu nog niet meester ben ergens mijn vlag in de grond pinnen en van die plek mijn thuisbasis maken. Tot het zo ver is geef ik me nog wat over aan de rusteloosheid, die met de jaren enkel lijkt toe te nemen.

Liefs,

Jessie

Advertenties

“Ik denk dat het een Belg is”

Hallo, ik ben Jessie en ik ben Belg in Nederland. Dat was jarenlang de zelfdefinitie van waaruit deze blog groeide. De cultuur-en taalverschillen die nog steeds tot quasi dagelijkse hilariteit leiden bij mijn Hollandse collega’s, vormden een intrinsiek deel van de identiteit waarmee ik de graduele integratie in mijn nieuwe levenspad in september 2013 aanvatte.

Het is een vreemd gegeven, dit expatbestaan. Aangezien ik samenwoon met een Canadees met Oekraïens-Britse roots, en een Ecuadoriaanse die tussentijds ook in Londen en de VS studeerde, wordt het heel normaal om globaal mobiel te zijn. Intussen vergeet ik vaak dat ook ik enige afstand van huis woon. Het lijkt allemaal zo gewoon, en god, laten we eerlijk zijn, wat stelt tweeënhalf uurtjes rijden nu voor?

De voorbije week werkte ik samen met een andere Canadese, die in haar Sabbatjaar als professor tijd maakte om even tot hier te vliegen om een project met mij op te starten. We voerden een geweldige, extreem intensieve blitzkrieg die ik bij deze als valide verontschuldiging wil aanbrengen voor mijn langdurige stilte op deze blog. Het was een fantastische ervaring, zowel professioneel als qua levenswijsheden en pure gezelligheid.

Verder hebben we ook regelmatig mensen op bezoek in ons Leidse nest (zijn er nog mensen die niet wisten dat ik verhuisd was? Bij deze bent u ingelicht), van alle hoeken van de aardbol. Recent beseften we zelfs dat we in al die tijd nog niet echt Nederlanders over de vloer hebben gehad (housewarming uitgezonderd dan). Dit soort realisaties vult mij met een ietwat kinderlijke verwondering die ik lekker weiger los te laten. Wat is de wereld klein en boeiend divers! Aan de andere kant; het frustreert ook best wel hoor. Je raakt levens met zo veel mensen, en uit al die individuen zijn er misschien een handvol waar je het goed mee kunt vinden. Beetje balen als één daarvan de volgende dag terug naar Australië vertrekt.

Ik weet niet precies wat ik wou bereiken met deze blog, maar misschien is het dit: de enige manier om te evolueren als persoon, is door in contact te komen met zo veel mogelijk andere perspectieven. Toegegeven, er zijn mensen wiens geest altijd klein gaat zijn, hoe veel ervaringen ze ook accumuleren, en er zijn mensen die het universum in de ogen hebben, al leiden ze hun hele leven een kerktorenbestaan. Maar het advies dat ik, als miniatuurexpat, voor mezelf opbouw is het volgende: Reis. Ontmoet. Ervaar.

We hotsen en botsen allemaal maar een beperkt poosje rond op dit statistisch onwaarschijnlijke galactisch accidentje dat we de aarde noemen. Dus scheur die oogkleppen af, en vorm naar hartenlust opinies over alles om je heen, onder de voorwaarde dat je bereid bent ze constant bij te stellen. Ons levensstromen bestaan uit een combinatie van keuzes, opportuniteit en enorme dosis onvoorspelbaarheid, en de uitdaging is om dat als een avontuur te zien eerder dan een bron van zenuwen. En dan richt ik me vooral tot de twenty-somethings in mijn lezerpubliek:Shot die existentiele crisis met vol geweld de deur uit.

Want wil je weten hoe het werkt?

On Verra.

Liefs,
Jessie

P.S. de titel is geplukt uit een kleine zij-anecdote. Op een dag belde ik naar de kapperschool om een afspraak te maken om mijn haren in de mate van het mogelijke te laten temmen. Eerste meisje aan de telefoon verstond me niet. Geeft me door aan haar collega. Ook kansloos. Geeft me door aan een derde collega, aan wie ze –zonder de hoorn even beleefd af te dekken- met verwarde stem meedeelt “ik denk dat het een Belg is”. Dus oké, af en toe voel ik me dus toch nog heel hard buitenlander, zelfs in dit kleine kosmopolitische stadje. Eens de afspraak geregeld was hebben ze me wel goed geknipt, overigens, voor zij die graag happy ends lezen.

huphollandhup(Bonusplaatje: Een windmolen. Gewikkeld in de Nederlandse vlag. You just can’t make this stuff up.)

Spraakwater

Er zijn twee manieren waarop ik schrijf.

De eerste is het voluit spouwen van hersenspinsels, in een klaterende woordenval waarover zelfs mijn eigen brein weinig controle heeft terwijl lettergrepen mekaar voorbij te proberen steken in een eindstreeploze race om als eerste op het blad te staan. Dit soort schrijfsels laat ik vaak zonder veel waarschuwing in de fysieke of digitale postbussen van verwante zielen vallen, in de hoop dat zij de kop van de staart kunnen ontwarren en de gedachtengang volgen die probeert tot uiting te komen in de jolijtige wirwar van letters. Vol verwachting dat ze hem beantwoorden met een al even uitbundige stroom van onderontwikkelde concepten en losse overpeinzingen, zodat we mekaar kunnen helpen dit vreemde universum waarin we als compleet willekeurig product van een ietwat logische maar ook oh zo absurd ongeplande evolutie ronddwalen.

De tweede methode is minder ongeremd. Dan ga ik me eerst inlezen in een onderwerp, om alle invalshoeken te ontdekken, verscheidene opinies te begrijpen, en de geschiedenis en evolutie van het subject in mijn hoofd te omvatten. Het probleem hiermee is dat ik na dit vooronderzoek bijna steeds tot de conclusie kom dat alles al gezegd is, of dat ik echt nóg meer moet lezen vooraleer ik gekwalificeerd ben om er iets over te schrijven. En dan blijven mijn inzichtjes hangen in hun veilige schedelwereld, aarzelend over hun validiteit en uiteindelijk gedoemd om te stagneren, tenzij de roekelozere kant van mijn expressiedwang ze alsnog naar buiten stuwt.

Uiteraard zijn beide schrijfmethodes vreselijk verkeerd, en ligt de weg naar de waarheid in het midden, wanneer expressie en kennisvergaring mekaar aanvullen. Ooit beloof ik dit wonderlijke middenpad te bewandelen, maar voor nu geniet ik te veel van het exuberante spraakwater gespouwd door mijn tomeloos enthousiaste cerebrum. Ter bewijs zal ik dit woordige gewouwel gewoon gezellig met de wereld delen.

Liefs,
Jessie

Boemerangkinderen

De feestdagen zijn reeds enige tijd gepasseerd, maar blijkbaar was ik dit blogje even vergeten in de wirwar van concepten die op mijn laptop rondzweven. Aangezien binnenkort een paar leuke nieuwe projecten starten waar ik heel hard naar uitkijk en waarover enkel vrolijke verhaaltjes zullen verschijnen, leek het me leuk het jaar te starten met het spuwen van mijn gal. Jeweetwel, ter compensatie.

De irritatie die ik hier ga uitwerken, één van de vele sluimerende kwesties die resideren achterin mijn hersenpan, is die van de generatiekritiek. Er wordt namelijk veel commentaar gegeven op mijn generatie.

De boemerangkinderen.
De hersenloze internetmassa.
De egocentrische overopgeleiden.

Uiteraard zijn velen van ons hoogstwaarschijnlijk absurd over-opgeleid, met diploma’s die nooit nut gaan hebben en het behalen waarvan ons ouders en ons maatschappij onvoorstelbaar veel geld kostte. Maar mag ik er even aan herinneren dat net die ouders en maatschappij degenen waren die ons duwden naar hogere educatie? Niemand heeft respect voor het middelbare schooldiploma. Daar leerden we in mijn richting zelf de meest basale menselijke taken niet, als het invullen van belastingaangiften of het herstellen van kleine mankementen aan huishoudelijke apparaten. We leerden er vooral hoe we het efficiëntst konden doen alsof we alle leerstof achter de kiezen hadden, waarvan de leerkrachten ons verzekerden dat we ze nodig zouden hebben in ons latere studies. De mogelijkheid niet verder te studeren werd zelf niet geopperd in het Algemeen Secundair Onderwijs. Sociaal stigma, onderschat nooit diens kracht.

En ja we spenderen veel tijd in het universum van de drie w’s. Daar ligt veel van onze communicatie, onze expressie. De uiting van onze frustratie ook, op prachtig creatieve maar helaas ook vaak venijnig lelijke wijze. Toch vind ik het internet een mooie plek, die me tegen alles in geloof in de mensheid geeft.

Hebben jullie ooit al eens de tags doorzocht op Instagram? Op deze website, zuiver gecreëerd voor het delen van foto’s uit je eigen leven op een publiek gesimplificeerd platform, kwamen bijvoorbeeld rond de kerstperiodes heel veel foto’s van mensen met het kaartje “#home” eraan gekleefd. Weet je hoe prachtig het wel is van zo in één oogopslag alle foto’s gelabeld als “thuis” te gaan bekijken, en zien waarmee mensen dit associëren? Veel huisgemaakte maaltijden. Familie. Huisdieren. Glimlachend weerzien. Een ander voorbeeld: de tag “love”. Bij het indrukken van deze zoekterm zette ik me schrap voor een overdaad speeksel uitwisselende tieners. Maar nee. Wel een tiener met zijn grootmoeder. Een baby’tje. Inspirerende citaten om te helpen met liefdesverdriet (toegegeven, dit soort quotes doet me kokhalzen, maar in deze context is het best mooi). Een trouwfoto. Drie vrienden in de bergen met trekrugzak op. Een zicht op de zonsondergang over de zee.

Over die zonsondergang trouwens; weet je wel hoe massaal we wereldwijd foto’s nemen van de zonsop- en zonsondergang? Hoe we toch allemaal gefascineerd zijn door die dagelijkse schoonheid van onze wereld, en dat met iedereen willen delen? Want dat is uiteindelijk het wonder van Instagram: het toont ons de dingen die we als individu willen delen met de wereld. Voornamelijk ter opbouw van ons eigen imago, onszelf als merk, ja, maar juist daardoor is het zo boeiend. Als we foto’s delen waarbij we onszelf met ons grootouders tonen, of onze appreciatie voor het eten van thuis dat ons ons weer geworteld doet voelen, moet ik toch concluderen dat we misschien wel collectief navelstaren, maar dan toch over de juiste dingen.

De rode draad die terugkomt tijdens mijn doorpluizingen van het wereldwijde web is er één van een zoektocht naar stabiliteit. Op alle mogelijke manieren zoekt generatie Y (de twenty-somethings zoals ze zichzelf noemen) naar vastheid. Of het nu is via prachtige doe-het-zelf handleidingen om je huis in te richten of het plaatsen van veel foto’s van de mensen in je leven om ze ‘echter’ te maken, we zoeken houvast. Daarom misschien ook dat we de boemerangkinderen zijn geworden, een generatie waarvan historisch ongehoord veel net afgestudeerden weer voor ettelijke jaren bij de ouders intrekken. Uiteraard is de belangrijkste drijfveer hierachter de economische wanhoop en het gebrek aan voldoende jobs, maar toch kan ik de indruk niet afschudden dat we het misschien ook minder erg vinden terug te keren naar het ouderlijk nest. Na een schoolcarrière waarin ons intellect en talent bejubeld werden is het hard van de sokkel vallen om plots afgestudeerd voor de afgrond van het leven te staan, omringd door walgelijke woninghuurprijzen en vacatures van “minimum twee jaar ervaring”. Na een beetje wennen merken we wel dat het allemaal meevalt natuurlijk, maar toch. Het voelt voor velen alsof alles wankelt, en tussen vrienden, familie, carrière en liefdesleven kaatsen we soms ietwat stuurloos rond, hopend dat alles op sporen komt. Maar niet té vast op sporen, want we houden ook nog steeds van avontuur, barsten nog steeds van de ideeën, staan nog steeds open tegenover de wereld.

Ik ben het een beetje zat, de smalende kritiek die zo makkelijk wordt gegeven, niet enkel op mijn generatie, maar door elke samenlevingsgroep op een andere, en zelfs gewoon onderling, door mensen op elkaar. Doordachte bemerkingen, ja graag. Oppervlakkige commentaar die enkel zonder inzicht vanuit het eigen ego komt, nee dankjewel. Een beetje meer liefde, een beetje meer perceptiviteit.

En dus roep ik bij deze 2015 uit tot het jaar van de tederheid. Uitgaande van actualiteiten van de voorbije week gaan we het hard nodig hebben.

Liefs,

Jessie (uw cyberhippie)

P.S. Ja, ik heb dus de wondere wereld van instagram ontdekt. http://instagram.com/et_on_verra/ . Allen daarheen. En omdat ik de commentaren al hoor: ik ben niet zo naïef dat ik me niet tegelijk dood erger aan dat beeldplatform, maar wou hier even de mooie kant toelichten. Dat mag ook al eens.

Jaareinde

We zijn alweer bij een jaareinde beland. Tijd van warme wijn, koude lucht, mooie lichtjes en tradities.

Moest ik nu een traditiegetrouw wezen zijn, dan schreef ik hier weer over de absurditeit en kilheid van de feestdagen, zoals mijn antropologenogen ze percipieren. Dat deed ik namelijk de voorbije drie jaar zowat. Maar gelukkig krijg ik van te veel conventies een onuitstaanbaar déjà vu gevoel, en laat ik dat dus dit jaar achterwege.

Dit jaar staat mijn kerst in het teken van thuislandbezoek: zo veel mogelijk tijd doorbrengen met de mensen die mijn kleine expathartje mist, en zo veel mogelijk lekker eten (Belgisch brood!). Alsook (en hier heb ik onbeschaamd haast even veel zin in) eens zonder onderbrekingen (geen verbeterwerk, practica, chemisch labwerk!) werken aan mijn nieuwe manuscript.

Fijne feestdagen,
Liefs,
Jessie

Oh denneboom

 

PS Ja mijn boom hangt ondersteboven. ik vind de standaard niet meer. Er zit ook een TARDIS in de ‘top’ al zie je dat helaas niet goed op de foto. Ik ben er blij mee!

November

November eindigt vandaag. Ik heb geen idee hoe het is kunnen voorvallen, waar het eerste semester naartoe verdwijnt en (nog belangrijker) hoe ik tussen alle verbeterwerk door mijn eigen deadlines moet halen. Dus ja, het is druk geweest de afgelopen maand.

Dingen die gebeurden:

  • Maria kwam op bezoek en we ontdekten Vlietland in de onverwacht warme herfstzon
  • Ik vierde drie maal Halloween, met wisselend succes maar vooral met twee maal
    pompoenen snijden
  • Amy kwam op bezoek en ik ben nu in fier bezit van een Iers rugbytruitje en           verhalen over een enigmatische spookmuis
  • Pancake party’s
  • Ik schreef een zooi nieuwe muziek, die ik wijselijk stilaan meer en meer door anderen laat zingen
  • Sacha kwam op bezoek en heeft een uitje met Sarah en mij naar de fitness overleefd op wat ik vermoed pure koppigheid te zijn
  • Ik ging op zoek naar een nieuwe woonst en vervulde die queeste met glans (1 februari verlaat ik het nestje, en vlieg ik uit naar een gezellige rijwoning nabij de Haven)
  • Ik herontdekte hoe dicht Leiden bij de zee ligt, en hoeveel deugd de horizon kan doen
  • En oh ja, ik trok op het onverwachts op den bots enkele dagen naar Portugal voor een op mijn doctoraat georiënteerde workshop.

Hectisch genoeg? Voor mij alvast wel! Ik plan al de hele maand ergens een pyamadag te houden, maar de tijd ontglipt me. En ach, er zijn zo veel dingen die ik wil doen!

WP_20141031_052WP_20141031_076WP_20141031_004

WP_20141031_004

WP_20141027_010 (2)WP_20141102_005

WP_20141102_015 (2)

En dan was er nog het vreemde licht vannamiddag, tussen de donderslagen door, dat deze foto opleverde (die opmerkelijker zou zijn in de tijd voor de vijftienduizend instagram filters…je gaat het van me moeten aannemen dat dit een echte “no filter” foto is. Overigens is er niets zo vreselijk als in een fietsstad laattijdig beseffen dat je nog naar de winkel moet in de gietende regen. Ik leef nog. Amper.

P1120082

Verder wil ik bij deze nog even een officieel bedankje uitsturen naar mijn opa voor de aardappelen en ajuinen die hij me meegaf, en die me een gevoel van aarding naar het thuisland doen behouden. Alsook naar mijn oma voor haar onnavolgbare confituur (de witte aalbessenconfituur was een enorm succes op ons laatste pannekoekenfeestje, maar de soort bessen moeilijk uit te leggen aan ons internationaal groepje).

Ik weet dat ik je verwaarloosd heb, Belgïe. Maar met kerst en nieuw zak ik twee weken af onder de Moerdijk, dus zet je schrap.

Liefs,
Jessie

PS uitgebreider verslag van Coimbra volgt snel, want ik kan blijkbaar niet alleen reizen zonder dat mijn hoofd een waterval van woorden wordt.

Deze ochtend fietste ik achter een kerel op een bakfiets, waarvan de bak de vorm had van een klomp. EEN KLOMP. Komt daarbij dat de kerel in kwestie een ruig metalhead type was, met lange blonde haren en een leren jekker. Soms vraag ik me af of dit vreemde land wel echt is. Maar dat terzijde, ik wou het eigenlijk over iets helemaal anders hebben deze keer. De situatie is namelijk de volgende:

Ik lig in de knoop met de mensheid.

Vorige week woonde ik een lezing bij van Bergings- en Identificatie Dienst van de Koninklijke Landmacht. De spreker vertelde over hoe er dus echt een internationale afspraak is (de Geneva-conventie) die maakt dat de overwinnaar verantwoordelijk gesteld wordt voor het identificeren en begraven van de achtergebleven lichamen op een slagveld. Over hoe boeren tijdens WOII lichamen aan de kant sleepten om hun veld te kunnen bewerken. Over hoe soldaten die sneuvelden aan de Franse kusten aanspoelen op de Nederlandse eilanden.  Het roept een haast onomwendbare golf van weemoed op, de pure futiliteit die door dit soort achteraf-maatregelen in schreeuwend fluo wordt onderstreept. De absurditeit ervan ook. En die vreemde kilte waarmee we als mens omgaan met deze dingen. “En de boer, hij ploegde voort”.

Hetzelfde gevoel overviel me ook eerder deze zomer, toen ik nog gelukzalig door New Mexico reisde. In Santa Fe bevindt zich namelijk een groot oorlogskerkhof voor Amerikaanse soldaten uit alle oorlogen. Prachtig aangelegd. Steriel groen gras en witte zerken. En een hele lege heuvel, klaar om gevuld te worden. Pragmatiek die om de onzinnigheid heen danst, want ja, natuurlijk, we moeten ten allen tijde praktisch blijven, hoe kunnen we anders leven?

We zijn, als soort, met ons grote brein en sterk ontwikkelde sociale capaciteiten (?), toch zo goed in het verdrukken en vergeten.

Aan de andere kant woonde ik even geleden ook F.A.C.T.S bij, het jaarlijkse feest van comics, fantasy, anime, sci-fi en allerhande obscure maar prachtig fantasierijke subculturen in Flanders Expo in Gent. Een zee van individuen die allen samen opgingen in hun eigen en elkanders verbeelding, met of zonder bijpassend verkleedritueel om in de juiste mindset te komen. En dan denk ik weer hoe prachtig onze soort is, hoe we toch wonderlijke dingen creëren, zo bovenop de wereld waar we echt in leven. En hoe geweldig het is dat we daar dan ook nog eens voor samenkomen. Of is dit ook gewoon verdrukken en vergeten, op een andere, in tijd beperktere, schaal?

Ach, misschien overdenk ik het weer allemaal. F.A.C.T.S was alvast heel leuk, en het feit dat verschillende van m’n kennissen me niet herkenden in mijn Thing 2 vermomming maakte het stiekem enkel leuker. Er wordt veel smalend gesproken over cosplay (de reportages van de leidende nieuwsbronnen in ons Belgenland waren afgrijselijk), maar waarom? Soms willen we gewoon even een beetje iemand anders zijn. Onze betoverende wereld is al lelijk genoeg.

Liefs, Jessie

(uw cyberhippie)

This Thing will not bite you it wants to have fun!

This Thing will not bite you it wants to have fun!

Meet me on the equinox

Ik eindigde mijn vorige verhaal in Cortez. Na een laatste mooie zonsondergang baden we onze heuvel daar, de knusse kamers en de hyperactieve kolibris vaarwel.

P1110434 (2)

Wat ik nog niet vermeldde, was hoeveel nieuwe vriendjes ik wel heb gemaakt tijdens de omzwervingen van de voorbije weken:

P1110441 (2)  P1110818 P1110486 (2)

P1110518 P1110672 (2)

P1110737 (2)  P1110860

Samen doorstonden we het einde van het korte monsoon-seizoen eigen aan de Four Corners. Vooral in Mesa Verde koppelden korte apocalyptische momenten zich aan een onverwacht prachtige opstoot van woestijnbloempjes:

P1110505 P1110513 (2)

Gelukkig bleef het verder grotendeels blauw en helder, wat de volgende beelden van Native American ruïnes opleverde:

P1110522   P1110717 (2)
(Links, Mesa Verde, Rechts; Chaco Canyon)

De weergoden bleven ons ook goedgezind tijdens het kamperen in Chaco Canyon, waar we waren voor het gadeslaan van de herfst equinox. Op dit keerpunt der seizoenen valt de zon exact in op bepaalde punten op de ruïnes en rotstekeningen, een prachtig voorbeeld van prehistorische kalenders.

P1110799 P1110802
(Links: zonsopgang parallel met volledige achterwand van Hungo Pavi. Waar ik mijn vader volledig bevroren maar klaarwakker en overgeëxciteerd foto’s stonden te maken terwijl ons moeder sceptisch toekeek en droomde van warme koffie. Rechts: ietwat na de zonsopgang aan de grote kiva van Casa Rinconada, waar de zon enkele minuten eerder keurig door de deuropeningen aan weerszijden van het gebouw scheen)

Archeoastronomie. Zelfs binnen het vakgebied is het een kleine niche, maar verdomd cool. Het maakte indruk.

Meer nog dan het opgangsmoment zelf, genoot ik van dat uurtje vlak voor het opkomen van de zon. De schemer in de woestijn is een unieke sfeer, met het vervreemdende lachende gehuil van coyotes in de achtergrond, de gutturale klank van kwebbelende raven, en die rozige gloed die zich niet op camera laat vatten (geloof me, ik heb het geprobeerd).

Het was een ervaring, in scherp contrast met het voorafgaande nachtje in Durango, een stadje dat probeert het gevoel van het oude Wilde Westen in leven te houden. Of het daarin slaagt laat ik in het midden, maar ik wil bij deze wel hulde brengen aan de lieftallige dames en getalenteerde pianiste van de Diamond Belle Saloon. Het is alvast één van mijn favoriete dorpjes, met een main street vol toffe winkeltjes (denk ouderwetse boekenwinkels met aanraders van het personeel en ladders langs de rekken, en goede muziek in elke, (ja echt elke) winkel).

Intussen zijn we al in Santa Fe beland. Terug in de bewoonde wereld, met elektriciteit, GSM, internet, en warm stromend water. Het is hier ook prachtig. Luider, drukker, en zoveel “mensiger” dat ik even moest hercalibreren. Maar mooi, ja. Santa Fe is een smeltkroes van cuturen, waar de Spaanse Conquistadores ambras maakten met de inheemse stammen (Zuni, Hopi, Navaho,…) en ook Mexicaanse invloeden in de wirwar verstrikt raken. Alle gebouwen zijn in ouderwetse adobe stijl, op het centrale plein speelde een bandje met een contrabas gemaakt uit een omgekeerde zinken wasteil, een stuk visdraad en een stok, en achter elke hoek is inheemse kunst te koop.

Het zorgt voor een bruisend kleurrijk centrum op leefbare schaal, en ik kijk mijn ogen uit. Maar toch. Deze wederkeer naar meer bevolkte (beschaafde?) regionen doet me realiseren dat het eind van mijn tocht nadert. Everything, everything ends, om het met de woorden van de titeltrack te zeggen.

Ik hol nog een aantal dagen aan volle vaart weg van dat gevoel. Deze ochtend richting Taos Pueblo, om mee te beginnen.

Liefs, Jessie

PS: de titel is uiteraard gestolen van Death Cab For Cutie, ter accreditering.

USA 2014: The Great Escape

I’m sorry I’ve fallen off the grid for a bit- it was expected though, and undeniably a welcome change. If you are reading this, it means I found a sufficiently strong wifi hotspot to leech off of. For the sake of communicational efficiency, as well as due to an inherent overwhelming expression compulsion, I’m scribbling  about the experience here.

Word of warning: This is not a concise blog. It rambles, ambles and shambles through the days. I’m sure you are used to it by now. If not, just skim through and look at the pictures.

P1110284 (2)

So. Week one.

After a miserably motionsick but otherwise uneventful plane trip, we filled our first day in Salt Lake City with the usual consumerism, before hitting the road towards Green River. We made it as far as Provo before our rental decided it didn’t like its key very much, and refused to start. A quick call to Hertz later, we ended up in a small office of theirs in Orem, awaiting our replacement car. Do you know how long you can comfortably sit around waiting for a car with a chatty mormon ex-missionary sales clerk behind a desk four feet away from you? I can tell you one thing, it isn’t three hours. So, when they finally brought our getaway vehicle out for us, we greeted it with elation. Until we saw its semi-flat tire with a nail through it. Another indeterminably long wait later, we were finally truly ready. We fled.

Now this new car is a Chevy Tahoe. I have to mention here that the Tahoe is big. I don’t mean “Oh what a conveniently large car for us and our luggage to travel in”-big. It’s more like “Accidently flatten the car in front of you without noticing”-big. I’m not kidding, this car is absurdly oversized. It’s huge. It’s black. It’s obnoxious. I love it! P1110363 (2) So, safely inside ‘The Beast’ as cliché compels me to call it, we set course for Green River, where we stayed at a wonderfully quintessential Southwestern Inn, well-maintained and probably unchanged since the early eighties. Green River consists of a truck stop, motels, a health care center the size of a single-family home and (because this is Utah) a liquor store made up of two government owned shelves in a roadside diner. A nondescript town, surrounded by some not-so-nondescript landmarks.

P1110014 (2)   P1110047 (2)

P1110087 (2)

(Top L: Sego Canyon. R: Goblin Valley. Bottom: losing my credibility as an archaeologist, Sego Canyon, Barrier style pictographs)

Our next stop was an isolated cabin called Los Vados, located in its own private canyon some distance from Moab. Here we would stay sedentary for four nights. A caretaker guided us and our jeep through several creek crossings and a badly maintained dirt road, and then there we were. Staying in one place for long enough to consider unpacking the suitcases for a bit.

It took me approximately two hours to get restless.

Luckily, this recurrent nuisance of a state of mind of mine had passed by the next day, which was spent happily traipsing though our little canyon, discovering a plethora of ancient rock art panels and remnants of stone tool knapping sites that made the professional archaeologist in me both squeal with delight and stare in appalled horror at the unregistered wealth of sites and finds. The night rewarded us with a view of the milky way that is hard to describe to my more cosmopolitan friends. P1110202 (2)    P1110115 (2) Fastforward through some of the usual sightseeing (think Arches National Park, Hovenweep, Anasazi Heritage sites,…), to a log cabin on an old homesteaders ridge near Cortez, Colorado. And whither then? The call of the road is strong. P1110225 (2)Liefs, Jessie.

P.S. I am taking a lot (A LOT) of pictures. All of which I will happily and over-enthusiastically show to anyone masochistic enough to want to see them on my return (because let’s face it, looking at other people’s holiday pictures can be really, really boring). I tried to make a “sensible” selection to go with this report.