Economisch waardeloos

Welkom in het nieuwe jaar.

Ik heb te veel tabbladen open in mijn brein, te veel dingen waarover ik wil schrijven en bijgevolg, weinig zinnigs te melden.

Misschien is het ook het absoluut gebrek aan bioritme dat de vakantieperiode in het thuisland me als afscheidscadeau heeft meegegeven. Dat zorgde er in elk geval al voor dat ik me deze ochtend voor het eerst in mijn vijfentwintigjarig bestaan me heb overslapen op een werkdag. Er zijn weinig dingen in het leven zo vreselijk als het gevoel van heerlijk uitgeslapen wakker worden, je gelukzalig uitrekken, op je GSM kijken, en bijna tegen je dakbalken springen van ontstelling. Godzijdank is het heerlijk rustig in het lab in deze eerste weken, en kan ik de opgelopen tijdsschade nog betrekkelijk makkelijk inhalen.

Al loopt dat dus wat moeilijker door de herrie in mijn hoofd. Een onderwerp waar ik blijf op terug komen, is de overweldigende kritiek die op mijn generatie gegeven wordt. En dan nog vooral op de hoger opgeleiden. “Jong, dromerig en economisch waardeloos’, om het in de woorden van Laura Nys te zggen.

Wel.

Ik denk dat ik, willen of niet, een ideaal voorbeeld vorm.

Ik heb archeologie gestudeerd. Ik hoor op de achtergrond al zuchtende stemmen zodra ik dit vermeld. Ik ben aan archeologie begonnen in het jaar 2006, toen de algemene Zeitgeist, althans in mijn omgeving, nog positief was. Toen iedereen nog leefde in de illusie dat een universitair diploma an sich waarde en garantie bood. Ik studeerde af in Gent in 2010. Met een papiertje waarop ‘master’ stond op zak, maar vooral met veel desillusies en een ongezonde portie bitterheid. Ik voelde me bedrogen, omdat het niveau, de diepgang, de intrinsieke waarde van de opleiding veel lager lag dan wat ik als pril studentje had verwacht van die verheven institutie, de Universiteit. Nu pas begin ik te concluderen dat je ook maar uit iets haalt wat je erin steekt, en dat je zelf voor een groot deel het niveau van je opleiding kunt (en moet) bepalen. Maar toch, achtienjarigen moet je uitdagen, niet achterlaten met een bekaaid gevoel van ‘is dit het’.

En daar stond ik dan, diploma op zak, maar mentaal in feite nog niet veel verder geëvolueerd dan toen ik uit het middelbaar kwam. En, oh ja, economisch waardeloos.

Dus ging ik Journalistiek studeren. Mocht ik ooit een comedy show over mijn leven schrijven, kan ik me inbeelden dat dit het punt is waarop het publiek in lachen uitbarst. Voor mij was de overstap vrij logisch, van de archeoloog die feiten zoekt om de geschiedenis te reconstrueren, naar de journalist, die feiten zoekt om de geschiedenis te construeren. En het had waarschijnlijk een uiterst gepast studiegebied voor me kunnen zijn, ware het niet dat ik het volgde aan Artevelde Hogeschool. We kregen les van een mengeling van verslagen rotten uit het vak, idealisten op wiens geest ik verliefd werd, en bekrompen persoontjes die alle perspectief verloren hadden. Bij mij leidde die mengeling aan docenten en aanpakken tot een soort gedetacheerde hoogmoed, een enorme overschatting van mezelf en een smalende kijk op de mensheid.
Ik heb het één jaar uitgehouden. Alle vakken geslaagd, uit enkele vakken geleerd. Godzijdank wat schitterende vrienden gemaakt waardoor ik het jaar nooit als zinloos zou bestempelen. Toegevoegde waarde; economisch waardeloos.

Godzijdank werd ik na die korte uitstap in de journalistiek aanvaard aan de Universiteit Leiden om een Master of Science in Human Osteology and Funerary Archaeology te starten (op dit punt in de comedy show zouden verscheidene mensen vermoedelijk de zaal verlaten). Kort gezegd: de studie van menselijke skeletten uit archeologische contexten. Eén jaar, maar een volledige omwenteling voor mij. Of het niveau hier nu zo veel hoger lag laat ik in het midden. We moesten in elk geval meer werken om er te geraken. En voor mij lag het niveau in elk geval mijlenver boven al wat ik ooit in Gent ervoer, om de simpele reden dat ik er zelf voor koos het zo aan te pakken. Omdat de docenten ons duidelijke doelen stelden, maar vooral ook aanmoedigden om die doelen te overschrijden. Omdat extra inzet niet werd geëvalueerd door een vast contract achter een bureau dat extra werk en last voor zichzelf zag, maar door hard werkende professionals die hun studenten wouden zien groeien en de tijd namen om je jeugdig enthousiasme in de juiste richtingen te stuwen. Dit klinkt waarschijnlijk te utopisch en ongenuanceerd, maar ik weiger cynisch te zijn over deze master. Omdat het voor mij duidelijk maakte dat het echt wel beter kan.

Maar goed, tweede master op zak, een proclamatieceremonie die me levenslang zal bijblijven als lichtpunt, en, oh ja, economisch waardeloos.

Fast forward door een jaar proberen beurzen bemachtigen, beuken tegen de storm, en werken waar dat kon. Met de volledig verkeerde aanpak ontsproten uit mijn hervonden idealisme, dat ik bijgevolg al snel weer achterwege liet.

En nu zit ik hier. Aan mijn bureau in het lab, omgeven door boeken, gelijkgestemde zielen, en mijn geliefde Beemsternaars (skeletten, nvdr). En ik weiger mezelf weer af te schrijven. Weiger weer de kritiek te aanvaarden dat ik niet bijdraag tot de maatschappij. Want als we onderzoek naar onze eigen voorouders, naar ons eigen lichaam, naar onze geschiedenis, samenlevingen, herkomst, gezondheid, en alles wat ons mens maakt als waardeloos gaan bestempelen, dan verliezen we alles waar de grote geesten van de voorbije vijf eeuwen voor gestreden hebben. Dan verloochenen we die eeuwige menselijke tendens, dat ene wat ons beter maakt, namelijk de wil om beter te worden. De wil om te kunnen terugkijken op een jaar, een decennium, of ons hele bestaanstijd, en te kunnen zeggen “wat zijn we toch ver gekomen”.

Ja, de luchtbel van het hoger onderwijs is gesprongen. Dat ligt niet enkel aan het economisch klimaat, maar ook aan dat hoger onderwijs zelf. Aan de statische structuren en aan het perverse systeem van mensen aannemen wanneer er plots en willekeurig subsidies voor zijn, niet wanneer er uitmuntende kandidaten zijn. De rigiditeit en sluipende bekrompenheid. Het verdoken nepotisme. Dit is een veralgemening maar ik hou er toch aan, zeker aangezien ook het arbeidsveld een dergelijk patroon durft tonen.

We hebben nog steeds nood aan hoger opgeleiden. In een land als België zonder natuurlijke rijkdommen moeten we het met ons brein stellen. Al moeten we ons vers afgestudeerde jeugd ook leren dat het diploma niet de prestatie is, maar de belofte dat je zult presteren. De gezworden eed dat je de kennis die je hebt opgedaan op kosten van onze hele maatschappij, gaat inzetten. Dat je hard gaat werken. Er wordt de huidige twintigers zo vaak verweten dat we lui zijn. Laat me niet beginnen over de privileges die de generatie die ons dat verwijt zonder het zelf te beseffen al levenslang geniet, en hierop antwoorden met een simpel ‘nee’. Ik kijk rond me en ik zie allemaal mensen die zich volledig geven. Die met admirabele doortastendheid hun droom proberen na te volgen in een wereld die hen verwijt niet realistisch te zijn. Mensen die hard werken om er te geraken, om toch ergens te geraken. We zijn niet de eerste groep jongeren die het label “verloren generatie” opgeplakt krijgt, en we zullen niet de laatste zijn. Laat ons vooral de generatie zijn die daar het hardst tegen rebelleert.

Zo, het geplande korte blogje is veranderd in een tirade over onderwijs, generatiekloven en idealisme. Ik zou me excuseren maar dat lijkt me wat nonsensicaal op mijn eigen blog. Alvast bedankt aan de lezers die het tot deze laatste paragraaf hebben gehaald.

Liefs,
Jessie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s